zondag 7 maart 2010

Koekjes

My sister has always looked down on me. I used to get mad. But I’ve matured since our teenage years. I now give her fattening cookies so she won’t fit into her wedding dress.

‘Neem nog een koekje,’ zeg ik, terwijl ik het schaaltje haar kant op schuif. ‘Wil je me soms vetmesten, dadelijk pas ik niet meer in mijn jurk,’ grapt mijn zus. Ik lach terug. ‘Thee?’vraag ik. Ze heeft net al drie koppen lang zitten vertellen over haar aanstaande bruiloft. Over de kleuren van het boeket, de kerk, de boottocht die we na de plechtigheid met zijn allen zullen maken. ‘Neem je iemand mee? Misschien wil Paula wel,’ zegt ze, terwijl ze haar vingers af likt. Ik glimlach. Ze weet niet van mijn liefde, die ik ver van alles wat met deze bruiloft te maken heeft, houd. Ze weet ook niet van vroegere liefdes, of van mijn depressieve periode vijf jaar geleden. Eigenlijk weet ze niets meer van me sinds ik op mijn achttiende verhuisd ben naar de andere kant van het land. ‘Paula is met vakantie.’ Paula is helemaal niet met vakantie. Paula praat niet meer met me sinds ik drie jaar geleden een keer in een dronken bui me iets te eerlijk over haar nieuwe vriend heb uitgelaten. Die ene verdwaalde keer dat mijn zus me kwam opzoeken in mijn studentenhuis woonde ik daar met Paula. Dat is de enige vriendin die ze ooit ontmoet heeft, in de vijf uur dat ze in de stad was. Ik heb geen zin om het hele verhaal uit te gaan leggen. Het is gemakkelijker om twee keer per jaar te zeggen dat het goed gaat met Paula. Ik neem aan dat het goed met haar gaat. De laatste geruchten vertelden over een huis dat zij en, was het Roy?, gekocht hadden op een van de grachten. Paula had altijd al een goede smaak als het om mannen ging.
Mijn zus slaat haar benen over elkaar, pakt een zoveelste koekje en leunt achterover en kijkt me doordringend aan. ‘Maar vertel eens, wordt het niet eens tijd dat jij ook aan de man raakt? Is het zo moeilijk om iemand te vinden?’. Ik haal diep adem. Hier moeten we altijd even doorheen. ‘Ik vermaak me prima. Ik hoef niet zo nodig te trouwen,’ antwoord ik. ‘Ja maar, je wilt toch ook kinderen? Daar kan je niet al te lang meer mee wachten,’ gaat mijn zus door. Ik weet niet zeker of ik kinderen wil. Ik heb er niet echt over nagedacht. Ik ben druk met mijn werk, mijn vrienden. ‘Je moet gewoon terug rekenen,’ zegt ze. ‘Je wilt toch rond je dertigste wel je eerste kind hebben gekregen? Nou, daar gaan dan negen maanden vanaf. Je hebt wel wat tijd nodig om zwanger te worden, zeg een half jaar, je wilt ongeveer twee jaar samen zijn voordat je er aan begint, dan zit je op zo’n drie jaar en een kwart. Dan heb je nu dus nog maximaal anderhalf jaar om de man van je dromen tegen te komen.’ Tevreden met haar berekening slaat ze haar armen over elkaar en kijkt me triomfantelijk aan. Ik haal nogmaals diep adem. Laat alle gedachten die door mijn hoofd schieten gaan en zeg alleen: ‘we zullen zien.’
Jaren terug zou ik nu met stoelen zijn gaan gooien. Had ik haar haar uit haar hoofd getrokken uit woede. Het heeft me drie psychologen en heel wat geld gekost om nu zo rustig te kunnen blijven. Alhoewel ik vanbinnen nog steeds op ontploffen sta. In me schreeuwt een stem heel hard: WIE. DENKT. ZIJ. WEL. NIET. DAT. ZE. IS? Ik hoor hem, maar probeer er geen aandacht aan te besteden. Loslaten, riepen de drie psychologen telkens weer, zij projecteert haar onzekerheden op jou.
Ik kijk naar haar. Ze kijkt om zich heen, trekt haar truitje een beetje naar beneden en stroopt haar mouwen op, om ze direct daarna weer over haar armen te trekken. Ze is negenentwintig. Over drie maanden trouwt ze met een jongen die ze een jaar geleden op een feestje heeft ontmoet. Ik weet niet of ze al proberen kinderen te krijgen, maar tot nu toe is het niet gelukt.
‘We zullen zien,’ zeg ik weer, en schenk nog een kopje thee in.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen