His job protects your freedom, but it’s destroying my life.
De telefoon gaat. Mijn hart staat stil. Ik sta achter in de tuin en mijn zoon zit op de schommel. Dit ga ik niet halen. Ik haal Mark van de schommel, zet hem op mijn heupen en probeer zo de tuin door te rennen. Mark begint in mijn oor te huilen, begrijpt mijn haast en plotselinge gedrag niet. Ik zet hem in de box in de serre, en ren door de keuken naar de woonkamer. Hij rinkelt nog steeds. In een laatste spurt val ik bijna over een speelgoedauto. Ik neem de hoorn van de haak. ‘Hallo?’ ‘Kat? Met Rob.’ Ik begin te huilen. ‘He lieverd, wat is er aan de hand?’ Zijn stem klinkt zo dichtbij. ‘Hoi,’ zeg ik. ‘Sorry, dat moest er even uit. Ik heb net de tuin door gerend om de telefoon te halen en Mark zit nog steeds te huilen en net viel ik bijna maar ik ben vooral heel blij om je stem te horen. Hoe is het met je?’ Hij lacht. ‘Meisje toch, wel voorzichtig doen hè. Het gaat goed. Het is warm hier. En we hadden vorige week wat gedoe, maar verder gaat het goed.’ ‘Wat voor gedoe dan?’ Een vreemde knoop vormt zich in mijn buik. ‘Ach, gewoon, wat gedoe met de mensen uit het dorp. Het is een lang proces, met veel hobbels. Maar uiteindelijk hebben we met een paar mannen gepraat en toen keerde de rust weer terug.’ ‘Rob, wat is er dan gebeurd?’ ‘Niets om je zorgen over te maken. Er werd niet geschoten. Een paar van de jongens was met de jeep het dorp in gereden en toen hadden wat jongeren met stenen gegooid. Meer niet.’ De knoop zit er nog. Ik probeer er niet aan te denken. Snij een ander onderwerp aan. ‘Okee, goed. Hoe warm is het dan bij jullie?’ ‘Zo’n veertig graden. Maar gelukkig waait het soms. Hoe gaat het met jou? Hoe ging je gesprek op je werk?’ ‘Ja, wel goed. Ze willen dat ik doorga met het onderzoek. Dus dat is fijn. En ik kan het op dezelfde basis blijven doen als nu. Dus hoeft Mark niet vaker naar de crèche. En verder, ach verder gaat het wel goed.’ Ik wil zeggen dat ik hem mis. Maar ik weet dat als ik dat doe, de knoop in mijn maag overgaat in tranen, en ik wil nu geen tranen. Ik wil laten zien dat hij zich geen zorgen hoeft te maken. Dat wij ons hier wel redden. En dat ik trots op hem ben. ‘Dat is fijn nieuws,’ zegt hij. ‘Hoe gaat het met de man?’ Ik luister of Mark nog steeds huilt. ‘Hij is nu in ieder geval weer stil geworden. Het gaat goed. Hij groeit als kool. Alle kleertjes die jij hem nog gekocht hebt passen al niet meer. Ik ben vorige week met Marieke de stad in gegaan om nieuwe te kopen. En hij lachte eergisteren voor het eerst hardop.’ ‘Dat is mooi,’ zegt hij. Ik hoor ook tranen achter zijn woorden. ‘Ik film hem iedere dag, zodat je kunt zien hoe hij langzaam verandert. Ik zal op mijn werk wel even vragen of iemand dat voor me op een dvd kan zetten voor je, dan kan ik het je alvast opsturen. Doet de dvd speler het daar nog?’ ‘Ja hoor, daar zorgen de jongens wel voor. Die kunnen niet zonder hun Friends. Dat zou fijn zijn, als je iets opstuurt. Jullie zijn wel erg ver weg.’ ‘Ja, dat vind ik ook.’ ‘Maar gelukkig kunnen we bellen. Ik vind het fijn om je stem te horen Kat. Sorry dat ik vorige week niet gebeld heb, maar door al dat gedoe met die jongeren enzo...’ ‘Nee joh, dat snap ik wel, en je mailde toch. Dat was ook fijn.’ ‘Ik moet langzaam weer ophangen. We moeten zo op patrouille. En daarna eten.’ ‘Oh, okee. Doe je voorzichtig?’ ‘Tuurlijk schat, altijd, dat weet je toch? Ik heb twee goede redenen om hier veilig vandaag te komen.’ ‘We denken aan je.’ ‘En ik aan jullie. Geef Mark zo een dikke kus van me. En een aai over je haar.’ ‘Dag lieverd. Ik hou van je.’ ‘Ik van jou.’
Klik. Ik leg de hoorn neer. Probeer weer terug te komen in deze wereld, met mijn huis en mijn kind in de box. Steeds als ik Rob spreek zit ik even daar, in dat verre droge land. Ik bedenk me, zoals altijd, nog tien andere dingen die ik hem had willen zeggen. En vraag me dan verschrikt af of ik wel heb gezegd dat ik van hem houd. Mark begint weer te huilen. Ik sta op en loop naar de box. ‘Dat was papa, jongen. Je vader belde net. Het gaat goed met hem.’
donderdag 10 september 2009
maandag 7 september 2009
Kindje
I have compromised almost every major decision in my life because of other people... Well guess what? This one is for ME.
Dag kindje in mijn buik. Daar ben je dan. Mijn kindje. In mijn buik. Ik wilde je alvast laten weten dat je welkom bent. Meer dan welkom. Ik weet nog niet eens wat je bent. Maar dat doet er niet toe. Het maakt niet uit. Jij bent het. Je komt er aan, over een tijdje. En als het zover is sta ik hier met open armen.
Vind je het vreemd dat ik je nu al toespreek? Toeschrijf zelfs? Is het te vroeg om je als een mens te zien, een persoon, nu je nog niet groter bent dan een erwt? Toch voelt het al alsof ik je begrijp. Alsof ik je al ken. Misschien dat je ziel al in je zit, en dat ik die voel? Wees niet bang, ik ben niet religieus, ik geloof niet in god en ik zal je in je leven niet kwellen met rituelen. Maar ik voel me zo sterk verbonden met je dat ik bijna in een ziel ga geloven.
Ik wilde je laten weten dat je tijdens je leven alles mag doen wat je wilt, dat ik je daarin zal steunen. Als je besluit piloot te worden, moet je dat lekker doen. Of bankbediende. Alhoewel ik me niet kan voorstellen dat iemand als jij bankbediende zou willen worden. Daar ben jij vast veel te creatief en vrij voor. Maar mocht dat niet zo zijn, of mocht je desondanks bankbediende willen worden, dan mag dat dus. Dan kom ik later als oude vrouw alleen aan jouw loket mijn spaarcenten ophalen. Waarmee ik dan een lekkere maaltijd voor jou zal koken.
Maar goed, dat is allemaal nog wel heel ver weg. Eerst mag je groeien. In mij. En dan, als het eenmaal zo ver is, dan kan je naar buiten komen. En zal ik je vasthouden. Je voeden. Je wiegen. Ik zal je toedekken als je in je slaap je deken hebt afgegooid. Ik zal je verzorgen als je ziek bent. Ik zal je dragen, op mijn armen, op mijn rug, voor mijn buik. Ik zal je bij me houden.
En als je groter word, zal ik je aan je hand meenemen, de wereld in. We zullen op ontdekkingstochten gaan. Door de stad, door het land. We gaan naar het strand. Zandtaartjes maken. Of naar het bos om dennenappels te zoeken, waar we dan thuis poppetjes van maken.
Ik voel je vraag. Hoe zit het met je vader? Je vader weet nog niet van je bestaan af. Je vader weet nog niets. Ik zal het hem vertellen, morgen. Dan hebben we afgesproken. Je vader en ik zijn niet meer samen. Maar dat maakt voor jou verder niets uit hoor. Je zult hem leren kennen. Je zult ook met hem avonturen beleven. Ik heb iemand uitgezocht die een hele leuke vader zal zijn. Iemand waarvan iedereen ook zegt dat het zo’n leuke vader zal zijn. Hij zal met je gaan fietsen, jij in een stoeltje voorop, met jouw haar wapperend in zijn gezicht. Ik zag jullie al stoeien in het park voordat jij er was. Ik weet zeker dat hij er voor je zal zijn. Het is een goede man, je vader. Hij is leuk. Ik hoop dat je zijn blonde haar krijgt. Dat is beter dan dat van mij. En dan mag je mijn ogen hebben, dat zou leuk zijn.
We gaan het wel redden met z’n tweeën. Beloofd. We gaan het heel leuk hebben. Ik heb er nu al zo’n zin in. Om te ontdekken wie jij bent, om te zien wie je gaat worden. Je word vast heel leuk. Dat kan niet anders. Met zo’n vader en moeder. Nog zes maanden te gaan. Ik zal de dagen aftellen en ervoor zorgen dat alles klaar staat als je komt. Ik ben er in ieder geval. Groei intussen maar lekker verder. Dag kindje van mij. Kindje. Van mij.
Dag kindje in mijn buik. Daar ben je dan. Mijn kindje. In mijn buik. Ik wilde je alvast laten weten dat je welkom bent. Meer dan welkom. Ik weet nog niet eens wat je bent. Maar dat doet er niet toe. Het maakt niet uit. Jij bent het. Je komt er aan, over een tijdje. En als het zover is sta ik hier met open armen.
Vind je het vreemd dat ik je nu al toespreek? Toeschrijf zelfs? Is het te vroeg om je als een mens te zien, een persoon, nu je nog niet groter bent dan een erwt? Toch voelt het al alsof ik je begrijp. Alsof ik je al ken. Misschien dat je ziel al in je zit, en dat ik die voel? Wees niet bang, ik ben niet religieus, ik geloof niet in god en ik zal je in je leven niet kwellen met rituelen. Maar ik voel me zo sterk verbonden met je dat ik bijna in een ziel ga geloven.
Ik wilde je laten weten dat je tijdens je leven alles mag doen wat je wilt, dat ik je daarin zal steunen. Als je besluit piloot te worden, moet je dat lekker doen. Of bankbediende. Alhoewel ik me niet kan voorstellen dat iemand als jij bankbediende zou willen worden. Daar ben jij vast veel te creatief en vrij voor. Maar mocht dat niet zo zijn, of mocht je desondanks bankbediende willen worden, dan mag dat dus. Dan kom ik later als oude vrouw alleen aan jouw loket mijn spaarcenten ophalen. Waarmee ik dan een lekkere maaltijd voor jou zal koken.
Maar goed, dat is allemaal nog wel heel ver weg. Eerst mag je groeien. In mij. En dan, als het eenmaal zo ver is, dan kan je naar buiten komen. En zal ik je vasthouden. Je voeden. Je wiegen. Ik zal je toedekken als je in je slaap je deken hebt afgegooid. Ik zal je verzorgen als je ziek bent. Ik zal je dragen, op mijn armen, op mijn rug, voor mijn buik. Ik zal je bij me houden.
En als je groter word, zal ik je aan je hand meenemen, de wereld in. We zullen op ontdekkingstochten gaan. Door de stad, door het land. We gaan naar het strand. Zandtaartjes maken. Of naar het bos om dennenappels te zoeken, waar we dan thuis poppetjes van maken.
Ik voel je vraag. Hoe zit het met je vader? Je vader weet nog niet van je bestaan af. Je vader weet nog niets. Ik zal het hem vertellen, morgen. Dan hebben we afgesproken. Je vader en ik zijn niet meer samen. Maar dat maakt voor jou verder niets uit hoor. Je zult hem leren kennen. Je zult ook met hem avonturen beleven. Ik heb iemand uitgezocht die een hele leuke vader zal zijn. Iemand waarvan iedereen ook zegt dat het zo’n leuke vader zal zijn. Hij zal met je gaan fietsen, jij in een stoeltje voorop, met jouw haar wapperend in zijn gezicht. Ik zag jullie al stoeien in het park voordat jij er was. Ik weet zeker dat hij er voor je zal zijn. Het is een goede man, je vader. Hij is leuk. Ik hoop dat je zijn blonde haar krijgt. Dat is beter dan dat van mij. En dan mag je mijn ogen hebben, dat zou leuk zijn.
We gaan het wel redden met z’n tweeën. Beloofd. We gaan het heel leuk hebben. Ik heb er nu al zo’n zin in. Om te ontdekken wie jij bent, om te zien wie je gaat worden. Je word vast heel leuk. Dat kan niet anders. Met zo’n vader en moeder. Nog zes maanden te gaan. Ik zal de dagen aftellen en ervoor zorgen dat alles klaar staat als je komt. Ik ben er in ieder geval. Groei intussen maar lekker verder. Dag kindje van mij. Kindje. Van mij.
vrijdag 4 september 2009
Cadeautje
I thought it was a ring, but it was a snowglobe.
Hij loopt door het winkelcentrum. Weet dat hij niet met lege handen kan aankomen. Dat is geen optie.
Hij begint bij de boekhandel. Een mooi boek, dat is een leuk cadeau. Langzaam loopt hij langs de kasten. Hij vraagt zich af wat voor boeken ze eigenlijk leest. Zelf houdt hij van de oude Russen. Tolstoi, Dostojevski en aanverwanten. Grass vindt hij ook heerlijk om te lezen. Hij probeert te bedenken of hij bij haar thuis wel eens een boek heeft zien liggen, en wat voor boek dan? Er komt niets in hem op. Hij bladert even in de nieuwe A.F.Th. Die zal hij volgende week even voor zichzelf kopen. Nu eerst dat cadeautje. Hij loopt langs de top tien. Chick lit. God, dat zal ze toch niet leuk vinden? Heleen van Rooyen? Hij weigert om met zo’n boek bij de kassa te gaan staan.
Naast de boekhandel is een muziekzaak. Een muur van lawaai komt over hem heen als hij de deur open doet. Popmuziek. Hij loopt snel door de winkel, op zoek naar de klassieke afdeling. Dan realiseert hij zich dat hij eigenlijk niet zo heel goed weet van welke muziek ze houdt. Bij hem thuis zet hij meestal zijn keuze op, en bij haar? Nou ja, ze zijn niet zo vaak bij haar. En in die zeldzame gevallen gaan ze meestal meteen naar boven om te vrijen. Besluiteloos kijkt hij om zich heen. Geen klassiek doen? Zou ze van jazz houden? Hij vraagt zich af waarom hij het eigenlijk niet weet. Heeft hij het haar wel eens gevraagd? Hij kan het zich niet herinneren. Waar praten ze dan eigenlijk over? Over werk, natuurlijk. En over familiezaken, zeker nu haar moeder zo ziek is. Over vakanties. En over hoe leuk ze elkaar vinden.
De lingeriewinkel dan maar eens proberen. Terwijl hij zich ongemakkelijk tussen het winkelende damespubliek wringt, komt een verkoopster op hem af. ‘Kan ik u helpen meneer?’ ‘Ik zoek een leuk cadeautje, een setje ofzo,’ zegt hij zachtjes. ‘Loop maar even met me mee meneer,’ zegt ze, terwijl ze zich omdraait. ‘Wat voor cup heeft uw vrouw?’ Lichte paniek in zijn hoofd. Weet hij veel! Ze heeft mooie borsten. Die in zijn handen passen als hij ze vasthoudt. Zachte borsten, met mooie volle tepels. ‘Euhm, welke maten zijn er?’ Hij voelt zich ongemakkelijk. Vraagt zich af of dit eigenlijk wel een goed idee is. Kan je na acht maanden wel al met zo’n cadeau aankomen? En wat als het niet past? Zou ze dat dan verkeerd opvatten? Zou dat een teken van desinteresse zijn? Terwijl de verkoopster met harde stem het een en ander aan hem uitlegt mompelt hij iets over het bijvullen van de parkeermeter en baant zich weer een weg door de andere klanten heen naar buiten.
Hij gaat op een bankje zitten en kijkt om zich heen. Het hele centrum is opgetuigd in rode versiering. Rode harten, rode slingers. Hij haat Valentijn. Heeft er ook nooit van gehouden. Maar nu, nou ja, ze had wel iets gezegd over cadeautjes. Dus had hij bedacht dat hij dat wel kon doen voor haar. Daarnaast is het natuurlijk ook lullig om zonder cadeautje voor haar wel het zijne in ontvangst te nemen.
Hij staat op en loopt naar de snackbar. Bestelt een kroket met mosterd. Al etend loopt hij langs de winkels. Een kiosk staat helemaal vol kaartenhouders met een uiteenlopend aanbod aan Valentijnskaarten. Hij wordt moe van de aanblik ervan.
Tenslotte gaat hij de Hema in. Hij moest toch nog even nieuwe sokken kopen, dat kan dan meteen nu even. Naast de kassa staat een bak met prullaria. Terwijl hij wacht, gaat zijn blik langs de verschillende objecten. Hij blijft hangen bij een sneeuwbal. Zo een die hij vroeger ook had, met een afbeelding erin, die je dan heen en weer moet schudden om het te laten sneeuwen. Hij pakt hem op. Achterin is een plaatje van Parijs, daarvoor twee poppetjes op een bankje. Hij schudt de bal heen en weer en laat het sneeuwen in Parijs.
Waarom ook niet? Het is grappig. Origineel. En ook nog romantisch, met die afbeelding enzo. Parijs is toch de stad van de liefde? Dan is dit een symbolisch teken van liefde. Hij legt de sokken op de toonbank, de sneeuwbal ernaast. ‘Kunt u deze misschien inpakken? Het is een cadeautje.’
Hij loopt door het winkelcentrum. Weet dat hij niet met lege handen kan aankomen. Dat is geen optie.
Hij begint bij de boekhandel. Een mooi boek, dat is een leuk cadeau. Langzaam loopt hij langs de kasten. Hij vraagt zich af wat voor boeken ze eigenlijk leest. Zelf houdt hij van de oude Russen. Tolstoi, Dostojevski en aanverwanten. Grass vindt hij ook heerlijk om te lezen. Hij probeert te bedenken of hij bij haar thuis wel eens een boek heeft zien liggen, en wat voor boek dan? Er komt niets in hem op. Hij bladert even in de nieuwe A.F.Th. Die zal hij volgende week even voor zichzelf kopen. Nu eerst dat cadeautje. Hij loopt langs de top tien. Chick lit. God, dat zal ze toch niet leuk vinden? Heleen van Rooyen? Hij weigert om met zo’n boek bij de kassa te gaan staan.
Naast de boekhandel is een muziekzaak. Een muur van lawaai komt over hem heen als hij de deur open doet. Popmuziek. Hij loopt snel door de winkel, op zoek naar de klassieke afdeling. Dan realiseert hij zich dat hij eigenlijk niet zo heel goed weet van welke muziek ze houdt. Bij hem thuis zet hij meestal zijn keuze op, en bij haar? Nou ja, ze zijn niet zo vaak bij haar. En in die zeldzame gevallen gaan ze meestal meteen naar boven om te vrijen. Besluiteloos kijkt hij om zich heen. Geen klassiek doen? Zou ze van jazz houden? Hij vraagt zich af waarom hij het eigenlijk niet weet. Heeft hij het haar wel eens gevraagd? Hij kan het zich niet herinneren. Waar praten ze dan eigenlijk over? Over werk, natuurlijk. En over familiezaken, zeker nu haar moeder zo ziek is. Over vakanties. En over hoe leuk ze elkaar vinden.
De lingeriewinkel dan maar eens proberen. Terwijl hij zich ongemakkelijk tussen het winkelende damespubliek wringt, komt een verkoopster op hem af. ‘Kan ik u helpen meneer?’ ‘Ik zoek een leuk cadeautje, een setje ofzo,’ zegt hij zachtjes. ‘Loop maar even met me mee meneer,’ zegt ze, terwijl ze zich omdraait. ‘Wat voor cup heeft uw vrouw?’ Lichte paniek in zijn hoofd. Weet hij veel! Ze heeft mooie borsten. Die in zijn handen passen als hij ze vasthoudt. Zachte borsten, met mooie volle tepels. ‘Euhm, welke maten zijn er?’ Hij voelt zich ongemakkelijk. Vraagt zich af of dit eigenlijk wel een goed idee is. Kan je na acht maanden wel al met zo’n cadeau aankomen? En wat als het niet past? Zou ze dat dan verkeerd opvatten? Zou dat een teken van desinteresse zijn? Terwijl de verkoopster met harde stem het een en ander aan hem uitlegt mompelt hij iets over het bijvullen van de parkeermeter en baant zich weer een weg door de andere klanten heen naar buiten.
Hij gaat op een bankje zitten en kijkt om zich heen. Het hele centrum is opgetuigd in rode versiering. Rode harten, rode slingers. Hij haat Valentijn. Heeft er ook nooit van gehouden. Maar nu, nou ja, ze had wel iets gezegd over cadeautjes. Dus had hij bedacht dat hij dat wel kon doen voor haar. Daarnaast is het natuurlijk ook lullig om zonder cadeautje voor haar wel het zijne in ontvangst te nemen.
Hij staat op en loopt naar de snackbar. Bestelt een kroket met mosterd. Al etend loopt hij langs de winkels. Een kiosk staat helemaal vol kaartenhouders met een uiteenlopend aanbod aan Valentijnskaarten. Hij wordt moe van de aanblik ervan.
Tenslotte gaat hij de Hema in. Hij moest toch nog even nieuwe sokken kopen, dat kan dan meteen nu even. Naast de kassa staat een bak met prullaria. Terwijl hij wacht, gaat zijn blik langs de verschillende objecten. Hij blijft hangen bij een sneeuwbal. Zo een die hij vroeger ook had, met een afbeelding erin, die je dan heen en weer moet schudden om het te laten sneeuwen. Hij pakt hem op. Achterin is een plaatje van Parijs, daarvoor twee poppetjes op een bankje. Hij schudt de bal heen en weer en laat het sneeuwen in Parijs.
Waarom ook niet? Het is grappig. Origineel. En ook nog romantisch, met die afbeelding enzo. Parijs is toch de stad van de liefde? Dan is dit een symbolisch teken van liefde. Hij legt de sokken op de toonbank, de sneeuwbal ernaast. ‘Kunt u deze misschien inpakken? Het is een cadeautje.’
dinsdag 25 augustus 2009
Blind
God told me that the man I will one day marry will be blind. Now I consider for each person I date how much blindsness would ruin his future plans.
Langzaam gleden haar vingers over de rand van de tafel. Van links naar rechts en weer terug. Het was een gewoonte geworden. Ze voelde de groeven van het hout en zag de donkerbruine tafel voor zich. Halverwege zat een uitstekend spijkertje. Ze kon zich nog herinneren hoe ze lang geleden tijdens een feest snel een kleedje wilde vastmaken en in een half dronken bui een hamer had gepakt. Lang geleden.
Haar handpalmen bewogen over het tafelblad, dat inmiddels zo glad was dat ze zich geen zorgen maakte over splinters. Haar vingertoppen raakten iets warms. Voorzichtig bewoog ze haar hand naar de mok en nam hem beet. Ze bracht de thee naar haar mond, voelde de hete damp tegen haar lippen slaan. Ze blies even. ‘Altijd horizontaal blazen’ had ze vroeger geleerd. Dan pas blies je de hete moleculen weg. Als je in je thee zou blazen, zouden de moleculen weer in je thee terecht komen. Het warme water smaakte naar niets. Ze zette de mok voorzichtig terug op tafel en gleed verder over het tafelblad tot haar vingers het theezakje vonden. Helemaal vergeten. Ze trok met haar rechterhand het touwtje los van het zakje dat ze in haar linkerhand hield. Ze tastte weer naar haar mok, liet het zakje voorzichtig over de rand vallen en trok langzaam aan het touwtje het zakje steeds weer omhoog. Na een minuut trok ze het zakje hoog op, voelde het schoteltje dat zoals altijd links van haar stond, en legde het zakje neer. Even voelde ze met haar linkerhand of ze niet gemorst had. De tafel was droog.
Terwijl ze van haar thee dronk ging haar telefoon in haar broekzak. Aan de ringtone kon ze horen dat het Bart was. Ze nam op. “He liefste, hoe gaat het?’. Zijn stem klonk dichtbij. Door de telefoon had ze het idee dat ze hem beter kon horen dan wanneer hij tegenover haar zat. Misschien kwam het ook omdat ze dan was afgeleid door zijn geur of de geluiden die hij maakte; het schuiven met zijn schoenen, slikken. ‘Ik zit nog even rustig een kopje thee te drinken, ik ga zo op weg,’ zei ze. ‘Ik haal je straks dan gewoon op, goed? Dan kom ik na mijn werk naar je toe en dan halen we even Chinees.’ “Dat is goed. Werk ze vandaag. Ik zie je straks. Kus!’. ‘Dag meissie, tot vanmiddag.’
Ze kon zich iedere vorm van zijn lijf voor de geest halen. Haar handen hadden hem al duizend keer gelezen. Zijn gezicht, met zijn ietwat kromme neus, zijn ogen die dieper lagen, zijn lange wimpers. Zijn haar was zacht en kon heerlijk ruiken, vooral als hij net buiten was geweest. Zijn rechteroor had een bobbeltje, net achter zijn oorlel. In zijn nek voelde ze zijn spieren, die steeds reageerden op haar aanraking. Zijn schouders waren breed, zijn armen fors en behaard. Zijn lijf had geen geheimen meer voor haar, ze kende hem door en door. Ze kon met zoveel liefde aan hem denken, aan de vormen die ze herkende. Maar steeds weer sprongen de tranen in haar ogen wanneer ze dacht aan de kleur van zijn haar en zijn ogen. De blik waarmee hij haar bekeek als ze voor hem stond. Ze had alleen zijn woorden, zijn aanraking.
Ze kon zich voorstellen hoe blond zijn haar was, hoe groen zijn ogen. Ze wist wat het was. Blond. En groen. Maar ze wist niet hoe blond, hoe groen precies. Hij omschreef de wereld voor haar, maakte vergelijkingen, waardoor ze een goed idee had van wat hij zag. Maar ze zou het nooit precies weten.
Tikkend liep ze van de voordeur naar de bushalte. Iedere dag dezelfde stappen. Vijf vooruit, een draai naar rechts. Twintig stappen tot aan de hoek en dan weer rechts. Na drieëndertig stappen was ze bij de halte. Ze hoorde twee vrouwen praten. Bleef staan. De bus was drie straten verder, ze hoorde hem optrekken. Ze zou zo even vragen of de dames haar naar binnen konden helpen.
Langzaam gleden haar vingers over de rand van de tafel. Van links naar rechts en weer terug. Het was een gewoonte geworden. Ze voelde de groeven van het hout en zag de donkerbruine tafel voor zich. Halverwege zat een uitstekend spijkertje. Ze kon zich nog herinneren hoe ze lang geleden tijdens een feest snel een kleedje wilde vastmaken en in een half dronken bui een hamer had gepakt. Lang geleden.
Haar handpalmen bewogen over het tafelblad, dat inmiddels zo glad was dat ze zich geen zorgen maakte over splinters. Haar vingertoppen raakten iets warms. Voorzichtig bewoog ze haar hand naar de mok en nam hem beet. Ze bracht de thee naar haar mond, voelde de hete damp tegen haar lippen slaan. Ze blies even. ‘Altijd horizontaal blazen’ had ze vroeger geleerd. Dan pas blies je de hete moleculen weg. Als je in je thee zou blazen, zouden de moleculen weer in je thee terecht komen. Het warme water smaakte naar niets. Ze zette de mok voorzichtig terug op tafel en gleed verder over het tafelblad tot haar vingers het theezakje vonden. Helemaal vergeten. Ze trok met haar rechterhand het touwtje los van het zakje dat ze in haar linkerhand hield. Ze tastte weer naar haar mok, liet het zakje voorzichtig over de rand vallen en trok langzaam aan het touwtje het zakje steeds weer omhoog. Na een minuut trok ze het zakje hoog op, voelde het schoteltje dat zoals altijd links van haar stond, en legde het zakje neer. Even voelde ze met haar linkerhand of ze niet gemorst had. De tafel was droog.
Terwijl ze van haar thee dronk ging haar telefoon in haar broekzak. Aan de ringtone kon ze horen dat het Bart was. Ze nam op. “He liefste, hoe gaat het?’. Zijn stem klonk dichtbij. Door de telefoon had ze het idee dat ze hem beter kon horen dan wanneer hij tegenover haar zat. Misschien kwam het ook omdat ze dan was afgeleid door zijn geur of de geluiden die hij maakte; het schuiven met zijn schoenen, slikken. ‘Ik zit nog even rustig een kopje thee te drinken, ik ga zo op weg,’ zei ze. ‘Ik haal je straks dan gewoon op, goed? Dan kom ik na mijn werk naar je toe en dan halen we even Chinees.’ “Dat is goed. Werk ze vandaag. Ik zie je straks. Kus!’. ‘Dag meissie, tot vanmiddag.’
Ze kon zich iedere vorm van zijn lijf voor de geest halen. Haar handen hadden hem al duizend keer gelezen. Zijn gezicht, met zijn ietwat kromme neus, zijn ogen die dieper lagen, zijn lange wimpers. Zijn haar was zacht en kon heerlijk ruiken, vooral als hij net buiten was geweest. Zijn rechteroor had een bobbeltje, net achter zijn oorlel. In zijn nek voelde ze zijn spieren, die steeds reageerden op haar aanraking. Zijn schouders waren breed, zijn armen fors en behaard. Zijn lijf had geen geheimen meer voor haar, ze kende hem door en door. Ze kon met zoveel liefde aan hem denken, aan de vormen die ze herkende. Maar steeds weer sprongen de tranen in haar ogen wanneer ze dacht aan de kleur van zijn haar en zijn ogen. De blik waarmee hij haar bekeek als ze voor hem stond. Ze had alleen zijn woorden, zijn aanraking.
Ze kon zich voorstellen hoe blond zijn haar was, hoe groen zijn ogen. Ze wist wat het was. Blond. En groen. Maar ze wist niet hoe blond, hoe groen precies. Hij omschreef de wereld voor haar, maakte vergelijkingen, waardoor ze een goed idee had van wat hij zag. Maar ze zou het nooit precies weten.
Tikkend liep ze van de voordeur naar de bushalte. Iedere dag dezelfde stappen. Vijf vooruit, een draai naar rechts. Twintig stappen tot aan de hoek en dan weer rechts. Na drieëndertig stappen was ze bij de halte. Ze hoorde twee vrouwen praten. Bleef staan. De bus was drie straten verder, ze hoorde hem optrekken. Ze zou zo even vragen of de dames haar naar binnen konden helpen.
donderdag 13 augustus 2009
Wensjes
I wish I had been your first.
Ik zou willen dat ik jouw eerste keer was geweest. Ik zou willen dat je voor altijd in mijn leven zou blijven. Ik zou willen dat ik je net zo goed ken als je vrienden je kennen. Ik zou willen dat ik je zusje was zodat jij mijn grote broer kon zijn. Ik zou willen dat we kinderen hadden zodat je altijd met me verbonden zou zijn. Ik zou willen dat ik je diepste geheimen kende. Ik zou willen dat ik verveeld zou zijn van je grapjes. Ik zou willen dat ik al je kleine gebaartjes kende. Ik zou willen dat ik je hele verleden had meegemaakt. Ik zou willen dat ik niets van jouw leven zou missen. Ik zou willen dat we niemand anders nodig hadden. Ik zou willen dat dit genoeg was. Ik zou willen dat ik niet zo jaloers was op de mensen om je heen. Ik zou willen dat je een liedje voor me zou schrijven. Ik zou willen dat iedereen zou weten dat wij bij elkaar hoorden. Ik zou willen dat ik je zou kunnen steunen in moeilijke tijden. Ik zou willen dat je moeder niet zonder me zou kunnen. Ik zou willen dat we vroeger samen opgegroeid waren. Ik zou willen dat ik je beste vriendin was. Ik zou willen dat mensen jaloers zouden zijn op onze band. Ik zou willen dat de kranten over ons schreven. Ik zou willen dat ik weet hoe je ruikt als je ziek bent. Ik zou willen dat je zonder te vragen mijn favorieten drankje voor me zou bestellen. Ik zou willen dat je me zou bellen als het niet meer gaat. Ik zou willen dat je erkent wat je voor me voelt. Ik zou willen dat je met mij oude speelfilms zou willen zien. Ik zou willen dat ik de grappigste vrouw in je leven was. Ik zou willen dat je een koosnaampje voor me had. Ik zou willen dat ik jouw familie had. Ik zou willen dat je je openstelde voor me. Ik zou willen dat ik niet zo moeilijk hoef te doen. Ik zou willen dat het toch zou werken. Ik zou willen dat we er uiteindelijk toch uitkomen. Ik zou willen dat we voor altijd gelukkig zouden zijn. Ik zou willen dat we samen doodgaan. Ik zou willen dat we naast elkaar begraven zouden worden. Ik zou willen dat je zou weten wie ik ben.
Ik zou willen dat ik jouw eerste keer was geweest. Ik zou willen dat je voor altijd in mijn leven zou blijven. Ik zou willen dat ik je net zo goed ken als je vrienden je kennen. Ik zou willen dat ik je zusje was zodat jij mijn grote broer kon zijn. Ik zou willen dat we kinderen hadden zodat je altijd met me verbonden zou zijn. Ik zou willen dat ik je diepste geheimen kende. Ik zou willen dat ik verveeld zou zijn van je grapjes. Ik zou willen dat ik al je kleine gebaartjes kende. Ik zou willen dat ik je hele verleden had meegemaakt. Ik zou willen dat ik niets van jouw leven zou missen. Ik zou willen dat we niemand anders nodig hadden. Ik zou willen dat dit genoeg was. Ik zou willen dat ik niet zo jaloers was op de mensen om je heen. Ik zou willen dat je een liedje voor me zou schrijven. Ik zou willen dat iedereen zou weten dat wij bij elkaar hoorden. Ik zou willen dat ik je zou kunnen steunen in moeilijke tijden. Ik zou willen dat je moeder niet zonder me zou kunnen. Ik zou willen dat we vroeger samen opgegroeid waren. Ik zou willen dat ik je beste vriendin was. Ik zou willen dat mensen jaloers zouden zijn op onze band. Ik zou willen dat de kranten over ons schreven. Ik zou willen dat ik weet hoe je ruikt als je ziek bent. Ik zou willen dat je zonder te vragen mijn favorieten drankje voor me zou bestellen. Ik zou willen dat je me zou bellen als het niet meer gaat. Ik zou willen dat je erkent wat je voor me voelt. Ik zou willen dat je met mij oude speelfilms zou willen zien. Ik zou willen dat ik de grappigste vrouw in je leven was. Ik zou willen dat je een koosnaampje voor me had. Ik zou willen dat ik jouw familie had. Ik zou willen dat je je openstelde voor me. Ik zou willen dat ik niet zo moeilijk hoef te doen. Ik zou willen dat het toch zou werken. Ik zou willen dat we er uiteindelijk toch uitkomen. Ik zou willen dat we voor altijd gelukkig zouden zijn. Ik zou willen dat we samen doodgaan. Ik zou willen dat we naast elkaar begraven zouden worden. Ik zou willen dat je zou weten wie ik ben.
donderdag 6 augustus 2009
Moord
In case you were wondering... I’m the one that called the humane society
Zaterdag, 9 mei 2009.
Goede daad mondt uit in moord
Van onze redactie.
Een vrouw van 35 die afgelopen week de dierenbescherming belde om haar buurman aan te geven van dierenmishandeling, heeft dit moeten bekopen met de dood.
De vrouw belde dinsdagavond jl de dierenbescherming. Het noodnummer registreerde het bericht dat om 21.07 uur binnenkwam. De vrouw klonk op het bandje dat bewaard is gebleven kalm toen ze de dienstdoende medewerker vertelde dat haar buurman zijn hond niet goed verzorgde. Ze gaf aan dat het dier er slecht verzorgd uit zag en dat hij vaak angstig en ongelukkig keek.
De dierenbescherming heeft woensdag een medewerker naar het adres van de man gestuurd om de melding te controleren. De buurman was thuis en gaf geen blijk van agressie toen hij werd aangesproken op zijn gedrag. Hij gaf toe moeite te hebben met het verzorgen van de hond, die hij had overgehouden aan een stukgelopen relatie. De man en de medewerker kwamen overeen dat de dierenbescherming een nieuw huis voor de hond zou zoeken. Het dier werd in de tussentijd ondergebracht in een asiel.
Op donderdagavond werd op de alarmlijn 112 een telefoongesprek opgenomen van de vrouw van 35 die nu in paniek belde omdat haar buurman het slot van haar voordeur had stukgeschoten met zijn jachtgeweer. Toen de politie arriveerde trof deze de vrouw in kritieke staat aan, met verschillende schotwonden in haar buik.
Onderzoek heeft getoond dat de vrouw haar geheim via de website van de krant NRC Next anoniem wereldkundig heeft gemaakt op donderdagochtend, in de rubriek Briefgeheim. Hoe de man de relatie tussen deze publicatie en zijn buurvrouw heeft gevonden is nog onduidelijk. Na het voorval is de man een kop thee gaan zetten thuis. Hij was weer rustig en aanspreekbaar toen de politie hem daar arresteerde. De reden van zijn plotselinge uitbarsting is nog niet door de politie vrijgegeven.
De vrouw is inmiddels in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden. Haar buurman zal worden terecht gesteld voor moord met voorbedachte rade.
Zaterdag, 9 mei 2009.
Goede daad mondt uit in moord
Van onze redactie.
Een vrouw van 35 die afgelopen week de dierenbescherming belde om haar buurman aan te geven van dierenmishandeling, heeft dit moeten bekopen met de dood.
De vrouw belde dinsdagavond jl de dierenbescherming. Het noodnummer registreerde het bericht dat om 21.07 uur binnenkwam. De vrouw klonk op het bandje dat bewaard is gebleven kalm toen ze de dienstdoende medewerker vertelde dat haar buurman zijn hond niet goed verzorgde. Ze gaf aan dat het dier er slecht verzorgd uit zag en dat hij vaak angstig en ongelukkig keek.
De dierenbescherming heeft woensdag een medewerker naar het adres van de man gestuurd om de melding te controleren. De buurman was thuis en gaf geen blijk van agressie toen hij werd aangesproken op zijn gedrag. Hij gaf toe moeite te hebben met het verzorgen van de hond, die hij had overgehouden aan een stukgelopen relatie. De man en de medewerker kwamen overeen dat de dierenbescherming een nieuw huis voor de hond zou zoeken. Het dier werd in de tussentijd ondergebracht in een asiel.
Op donderdagavond werd op de alarmlijn 112 een telefoongesprek opgenomen van de vrouw van 35 die nu in paniek belde omdat haar buurman het slot van haar voordeur had stukgeschoten met zijn jachtgeweer. Toen de politie arriveerde trof deze de vrouw in kritieke staat aan, met verschillende schotwonden in haar buik.
Onderzoek heeft getoond dat de vrouw haar geheim via de website van de krant NRC Next anoniem wereldkundig heeft gemaakt op donderdagochtend, in de rubriek Briefgeheim. Hoe de man de relatie tussen deze publicatie en zijn buurvrouw heeft gevonden is nog onduidelijk. Na het voorval is de man een kop thee gaan zetten thuis. Hij was weer rustig en aanspreekbaar toen de politie hem daar arresteerde. De reden van zijn plotselinge uitbarsting is nog niet door de politie vrijgegeven.
De vrouw is inmiddels in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden. Haar buurman zal worden terecht gesteld voor moord met voorbedachte rade.
dinsdag 4 augustus 2009
Gemis
I miss you constantly. But I especially miss you on Sunday afternoons when I have to read Postsecret by myself.
Het doet pijn. In mijn hele lijf. Overal.
Het doet pijn als ik adem haal. Als ik eet. Als ik drink. Als ik slaap. Als ik dronken over straat loop. Als ik schuil voor de regen. In de kroeg doet het pijn, bij vrienden doet het pijn, in de supermarkt doet het pijn. Als ik op zaterdagochtend de krant koop bij de sigarenboer om de hoek. Pijn.
In mijn hele lijf. Mijn longen kunnen niet meer de hoeveelheid lucht inademen als vroeger, ze lijken kleiner te zijn geworden. Of gevuld, met verdriet. Mijn darmen doen pijn. Alsof ze de hele dag pure korenaren moeten verwerken. Mijn armen en benen doen pijn. Alsof ik in een recordtempo de marathon heb gelopen, zonder ervoor getraind te hebben. Soms doen zelfs mijn nagelriemen pijn. Alsof iemand ze te hard naar achteren geduwd heeft.
Misschien heb ik dat in mijn slaap wel gedaan. Dat van die nagelriemen. Vaak wordt ik ’s ochtends wakker met gebalde vuisten, mijn nagels diep in mijn handpalm gedrukt. Mijn spieren voelen verkrampt. Constant. Mijn oogleden zijn zwaar. Ik probeer ze steeds wijd open te sperren, zodat de tranen geen kiertje krijgen om zich in te verschuilen, om vervolgens op een onhandig moment tevoorschijn te komen.
Ik had nooit gedacht dat het zo’n pijn zou doen. Ik had me er wel op voorbereid. Het kwam tenslotte niet als een enorme verrassing. Jouw vertrek. Ik moest toezien hoe jouw lichaam vocht, hoe jij je ogen opensperde. Niet om de tranen tegen te houden, maar om de pijn te verdragen. Hoe je je kaken op elkaar klemde, om geen geluid te hoeven maken wanneer er weer een pijnscheut door je lijf ging. Ik had van jou alle lessen in het verdragen van pijn al gehad.
En nu ben je er niet om mij er doorheen te praten. Om me over mijn haar te aaien als het even te veel wordt. Om met het puntje van een zakdoek de traan die toch een weg vond weg te vegen. Om me in je armen te houden tot ik in slaap val.
Ik gunde je zo de rust. De vrede. In je lijf, en in je hoofd. Ik gunde je het verlies van het gevecht. Dus het is goed zo. Je bent klaar. Maar het gevecht dat ik nu aan moet gaan is groter dan ik dacht. Ik dacht dat de wetenschap dat jij geen pijn meer hebt me rust zou geven, en de kracht om door te gaan.
Maar dat is dus niet zo. Het doet godverdomme overal zo’n pijn. Je zit in mijn lijf en ik voel je constant. Al mijn cellen lijken jouw aanwezigheid te zoeken. Iedere verwijzing naar jou geeft eerst een klein sprankje hoop. Op wat? Op de mogelijkheid dat ik net ben wakker geworden uit een nachtmerrie. Of op het idee dat het een nare fantasie was. Hoop op dat je zo direct met een kopje thee naast me op de bank komt zitten. Of dat je zo even belt. Om te zeggen dat je een fijne dag hebt.
Steeds als ik je op een foto zie, of een kledingstuk van je zie liggen, lijkt het alsof je er nog bent. En dan, een fractie van een seconde later, dreunt de werkelijkheid weer terug in mijn cellen. En voel ik weer dat je er niet bent.
Ik heb je beloofd door te gaan. Met alles. Met leven. Met gelukkig zijn. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Sommige dingen kunnen wel gewoon doorgaan. Noodzakelijke dingen als eten, boodschappen doen, douchen, stofzuigen. Dat gaat gewoon door. Zonder na te denken. Ook andere dingen keren gewoon weer terug. Eten met vrienden, naar de film, een tentoonstelling. Niet dat het leuk is om dat alles te doen. Maar het gebeurt. Er zijn echter dingen die niet meer kunnen. Stomme, kleine, regelmatigheden die verdwenen zijn. De krant delen. Sokken oprapen naast de wasmand. Weten dat je je hand in mijn nek legt tijdens het wandelen. Soms kijk ik tijdens een gesprek met vrienden op, om met jou een blik te delen, omdat ik weet hoe je zou kijken. Dat alles zijn nu alleen nog maar herinneringen. Gebeurtenissen uit het verleden.
Mensen denken dat het alweer voorbij is. Het ergste. Het voordeel daarvan is dat ze me niet meer proberen op te beuren, of grappige voorvallen gaan vertellen om mijn gedachten te verzetten. Dat vond ik in het begin vreselijk. Dat iedereen zo zijn best deed om niet verdrietig te zijn. Terwijl dat het enige logische was, dat we met zijn allen verdrietig waren. Nu vergeten ze soms de hele situatie. Laatst vertelde Jonas een anekdote over zijn reis naar Marokko. Pas halverwege het gesprek had hij door dat zijn anekdote over een begrafenis ging, en over hoe de vrouwen luid jammerend de kist begeleidden. Hij stokte, keek me verschrikt aan. Waarop ik antwoordde: niet zoals ik bedoel je?
Je moet weten dat ik op jouw begrafenis heel rustig was. En dat iedereen daar doodsbang van werd. Ik liet geen traan, glimlachte de hele tijd en was zelf degene die grapjes maakte. Ja, je begrafenis. Ik kon je niet cremeren. Ik wil naar je toe kunnen als het niet meer gaat. Ik hoop dat je dat begrijpt. Ik denk het wel.
Maar goed. Jonas schrok, hernam zich en verontschuldigde zich. Hij kan er ook niets aan doen. We gaan allemaal verder. De een iets meer dan de ander. Ik vind het niet erg. Zo gaan de dingen. Zij weten niet dat ik nog steeds niet kan ademhalen als vroeger, dat ik nachtenlang wakker lig en dat mijn hele lijf pijn doet. Het heeft ook niet zo veel zin om ze dat te vertellen. Laat het leven maar doorgaan. Ik doe wel alsof ik meedoe.
Ik ben ontzettend goed in acteren. Daar ben ik wel achter gekomen de laatste tijd. Mijn glimlach op jouw begrafenis was ook alleen maar de enige mogelijkheid om die dag door te komen. Alle etentjes en bijeenkomsten waar ik daarna naar toe ben gegaan zijn allemaal een poging tot afleiding, en de geruststelling naar anderen dat het alweer wat beter gaat.
Maar dat is niet zo. Het gaat helemaal niet beter, ik zit middenin het ergste. Zonder enig idee wanneer het ophoudt.
In Australië is er een weg waar je zes dagen over doet om erover heen te rijden. En je kunt niet anders. Er zijn geen kruispunten, geen afsplitsingen. Het is die ene weg, om van de ene kant van het land naar de andere te komen. Als je daar rijdt heb je geen idee van tijd en snelheid. Het landschap verandert zo langzaam dat je het niet ziet. Soms zie je een tegenligger, soms is er een wegrestaurant. Maar dat doet er allemaal niet toe, want je moet steeds weer terug naar die weg. Op een bepaald moment, vaak al op de eerste dag, heb je geen idee meer hoe lang je al rijd en waar je bent. Je bent onderweg. Het duurt lang en zal nog een hele tijd doorgaan. En ergens, diep van binnen, weet je dat je aan moet komen aan de andere kant. Je vertrouwt op de verhalen. Anderen zijn ook aangekomen. Dus rij je door. Terug kan namelijk niet.
Het doet pijn. In mijn hele lijf. Overal.
Het doet pijn als ik adem haal. Als ik eet. Als ik drink. Als ik slaap. Als ik dronken over straat loop. Als ik schuil voor de regen. In de kroeg doet het pijn, bij vrienden doet het pijn, in de supermarkt doet het pijn. Als ik op zaterdagochtend de krant koop bij de sigarenboer om de hoek. Pijn.
In mijn hele lijf. Mijn longen kunnen niet meer de hoeveelheid lucht inademen als vroeger, ze lijken kleiner te zijn geworden. Of gevuld, met verdriet. Mijn darmen doen pijn. Alsof ze de hele dag pure korenaren moeten verwerken. Mijn armen en benen doen pijn. Alsof ik in een recordtempo de marathon heb gelopen, zonder ervoor getraind te hebben. Soms doen zelfs mijn nagelriemen pijn. Alsof iemand ze te hard naar achteren geduwd heeft.
Misschien heb ik dat in mijn slaap wel gedaan. Dat van die nagelriemen. Vaak wordt ik ’s ochtends wakker met gebalde vuisten, mijn nagels diep in mijn handpalm gedrukt. Mijn spieren voelen verkrampt. Constant. Mijn oogleden zijn zwaar. Ik probeer ze steeds wijd open te sperren, zodat de tranen geen kiertje krijgen om zich in te verschuilen, om vervolgens op een onhandig moment tevoorschijn te komen.
Ik had nooit gedacht dat het zo’n pijn zou doen. Ik had me er wel op voorbereid. Het kwam tenslotte niet als een enorme verrassing. Jouw vertrek. Ik moest toezien hoe jouw lichaam vocht, hoe jij je ogen opensperde. Niet om de tranen tegen te houden, maar om de pijn te verdragen. Hoe je je kaken op elkaar klemde, om geen geluid te hoeven maken wanneer er weer een pijnscheut door je lijf ging. Ik had van jou alle lessen in het verdragen van pijn al gehad.
En nu ben je er niet om mij er doorheen te praten. Om me over mijn haar te aaien als het even te veel wordt. Om met het puntje van een zakdoek de traan die toch een weg vond weg te vegen. Om me in je armen te houden tot ik in slaap val.
Ik gunde je zo de rust. De vrede. In je lijf, en in je hoofd. Ik gunde je het verlies van het gevecht. Dus het is goed zo. Je bent klaar. Maar het gevecht dat ik nu aan moet gaan is groter dan ik dacht. Ik dacht dat de wetenschap dat jij geen pijn meer hebt me rust zou geven, en de kracht om door te gaan.
Maar dat is dus niet zo. Het doet godverdomme overal zo’n pijn. Je zit in mijn lijf en ik voel je constant. Al mijn cellen lijken jouw aanwezigheid te zoeken. Iedere verwijzing naar jou geeft eerst een klein sprankje hoop. Op wat? Op de mogelijkheid dat ik net ben wakker geworden uit een nachtmerrie. Of op het idee dat het een nare fantasie was. Hoop op dat je zo direct met een kopje thee naast me op de bank komt zitten. Of dat je zo even belt. Om te zeggen dat je een fijne dag hebt.
Steeds als ik je op een foto zie, of een kledingstuk van je zie liggen, lijkt het alsof je er nog bent. En dan, een fractie van een seconde later, dreunt de werkelijkheid weer terug in mijn cellen. En voel ik weer dat je er niet bent.
Ik heb je beloofd door te gaan. Met alles. Met leven. Met gelukkig zijn. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Sommige dingen kunnen wel gewoon doorgaan. Noodzakelijke dingen als eten, boodschappen doen, douchen, stofzuigen. Dat gaat gewoon door. Zonder na te denken. Ook andere dingen keren gewoon weer terug. Eten met vrienden, naar de film, een tentoonstelling. Niet dat het leuk is om dat alles te doen. Maar het gebeurt. Er zijn echter dingen die niet meer kunnen. Stomme, kleine, regelmatigheden die verdwenen zijn. De krant delen. Sokken oprapen naast de wasmand. Weten dat je je hand in mijn nek legt tijdens het wandelen. Soms kijk ik tijdens een gesprek met vrienden op, om met jou een blik te delen, omdat ik weet hoe je zou kijken. Dat alles zijn nu alleen nog maar herinneringen. Gebeurtenissen uit het verleden.
Mensen denken dat het alweer voorbij is. Het ergste. Het voordeel daarvan is dat ze me niet meer proberen op te beuren, of grappige voorvallen gaan vertellen om mijn gedachten te verzetten. Dat vond ik in het begin vreselijk. Dat iedereen zo zijn best deed om niet verdrietig te zijn. Terwijl dat het enige logische was, dat we met zijn allen verdrietig waren. Nu vergeten ze soms de hele situatie. Laatst vertelde Jonas een anekdote over zijn reis naar Marokko. Pas halverwege het gesprek had hij door dat zijn anekdote over een begrafenis ging, en over hoe de vrouwen luid jammerend de kist begeleidden. Hij stokte, keek me verschrikt aan. Waarop ik antwoordde: niet zoals ik bedoel je?
Je moet weten dat ik op jouw begrafenis heel rustig was. En dat iedereen daar doodsbang van werd. Ik liet geen traan, glimlachte de hele tijd en was zelf degene die grapjes maakte. Ja, je begrafenis. Ik kon je niet cremeren. Ik wil naar je toe kunnen als het niet meer gaat. Ik hoop dat je dat begrijpt. Ik denk het wel.
Maar goed. Jonas schrok, hernam zich en verontschuldigde zich. Hij kan er ook niets aan doen. We gaan allemaal verder. De een iets meer dan de ander. Ik vind het niet erg. Zo gaan de dingen. Zij weten niet dat ik nog steeds niet kan ademhalen als vroeger, dat ik nachtenlang wakker lig en dat mijn hele lijf pijn doet. Het heeft ook niet zo veel zin om ze dat te vertellen. Laat het leven maar doorgaan. Ik doe wel alsof ik meedoe.
Ik ben ontzettend goed in acteren. Daar ben ik wel achter gekomen de laatste tijd. Mijn glimlach op jouw begrafenis was ook alleen maar de enige mogelijkheid om die dag door te komen. Alle etentjes en bijeenkomsten waar ik daarna naar toe ben gegaan zijn allemaal een poging tot afleiding, en de geruststelling naar anderen dat het alweer wat beter gaat.
Maar dat is niet zo. Het gaat helemaal niet beter, ik zit middenin het ergste. Zonder enig idee wanneer het ophoudt.
In Australië is er een weg waar je zes dagen over doet om erover heen te rijden. En je kunt niet anders. Er zijn geen kruispunten, geen afsplitsingen. Het is die ene weg, om van de ene kant van het land naar de andere te komen. Als je daar rijdt heb je geen idee van tijd en snelheid. Het landschap verandert zo langzaam dat je het niet ziet. Soms zie je een tegenligger, soms is er een wegrestaurant. Maar dat doet er allemaal niet toe, want je moet steeds weer terug naar die weg. Op een bepaald moment, vaak al op de eerste dag, heb je geen idee meer hoe lang je al rijd en waar je bent. Je bent onderweg. Het duurt lang en zal nog een hele tijd doorgaan. En ergens, diep van binnen, weet je dat je aan moet komen aan de andere kant. Je vertrouwt op de verhalen. Anderen zijn ook aangekomen. Dus rij je door. Terug kan namelijk niet.
Abonneren op:
Posts (Atom)